Wijnsoorten
Of je nu pas net begint met wijn ontdekken of al wat favorieten hebt: het helpt enorm als je weet wat voor soorten wijn er eigenlijk zijn. Van een stevige rode wijn tot een frisse witte, een zonnige rosé of een gezellige bubbel. Elke wijnsoort heeft zijn eigen smaak, moment en manier van maken. Op deze pagina nemen we je mee langs de vijf belangrijkste wijnsoorten: rood, wit, rosé, mousserend en versterkt. Zo ontdek je welke stijl het beste bij jouw smaak past, én weet je straks precies wat je in je glas hebt.

Rode wijn
Voor veel mensen is rode wijn hét gezicht van wijn – en dat is niet zo gek. Die diepe, warme kleur geeft meteen iets chiques en romantisch. Maar hoe komt rode wijn eigenlijk aan die kleur? Wat is het typische smaakprofiel? En hoe serveer je hem op z’n best? Laten we erin duiken.
Hoe rode wijn zijn kleur krijgt
Het grootste verschil met andere wijnsoorten zit ‘m in het maakproces. Nadat de druiven rijp zijn en geplukt worden, begint de vergisting. Bij rode wijn gebeurt dat met de schillen erbij. In de schillen zitten ook stoffen die zorgen voor een klein stroef gevoel op je tong – een beetje alsof je te sterke thee drinkt. Dat zijn de zogeheten tannines. Ze geven de wijn structuur en een stevige smaak.
Bij witte wijn gaat dat anders: daar worden de druiven eerst geperst, zodat het sap en de schillen direct gescheiden worden. Rode wijn wordt pas ná de vergisting geperst – en juist daardoor krijgt hij die karakteristieke kleur en stevigheid.
Het smaakprofiel van rode wijn
Rode wijn wordt vaak omschreven als voller en warmer van smaak dan witte wijn. Met voller bedoelen we dat hij meer gewicht en intensiteit in je mond heeft – de smaak blijft langer hangen en voelt rijker aan. Warmer verwijst naar de rijpere, zachtere tonen die je proeft, zoals rijp fruit of kruidigheid, en soms een licht verwarmend gevoel van de alcohol (daarom wordt rode wijn met name in de herfst en winter gedronken).
Je proeft vaak fruittonen zoals kers, braam, bosbes of pruim. Afhankelijk van de druif en het maakproces kan rode wijn ook kruidig zijn (bijvoorbeeld peper, kaneel of laurier) of juist aards (denk aan natte aarde of paddenstoel).
Sommige rode wijnen hebben houttonen zoals vanille, cacao of koffie, vooral als ze op eikenhouten vaten hebben gerijpt.
Daarnaast voelt rode wijn soms dus een beetje stroef in je mond – alsof je een slok sterke thee drinkt. Dat komt door tannines.
Hoe serveer je rode wijn?
Veel mensen schenken rode wijn op “kamertemperatuur”, maar dat is in een verwarmd huis meestal te warm. 16–18 graden is ideaal voor de meeste rode wijnen, en lichtere soorten zoals Pinot Noir of Beaujolais mogen zelfs iets koeler.
Ook kan het geen kwaad om de wijn even te laten ademen. Even in een karaf schenken of de fles een uurtje voor het drinken openen kan de smaken zachter en ronder maken. Hierdoor komt er zuurstof bij de wijn, waardoor de smaken zachter en ronder worden, en de tannines (die wat stroef of droog kunnen aanvoelen) milder worden. Zeker bij stevige rode wijnen maakt dit een groot verschil in smaakbeleving.
Leuk feitje: De reden dat rode wijnglazen groter zijn is vanwege het feit dat de wijn dus meer zuurstof krijgt!

Witte wijn
Witte wijn is misschien wel de ultieme dorstlesser: licht, fris en vol fruitige smaken die je meteen zin geven in een glas. Of je nu houdt van een strak frisse Sauvignon Blanc of een zachte, romige Chardonnay, witte wijn heeft voor ieder wat wils. In dit stukje ontdek je wat witte wijn zo bijzonder maakt, wat je kunt proeven en hoe je ‘m het beste serveert. Zo haal je het meeste uit elk glas!
Wat maakt witte wijn zo bijzonder?
In tegenstelling tot rode wijn worden de druiven voor witte wijn meestal zonder schil vergist. Daardoor heeft witte wijn bijna geen tannines, de stoffen die je in rode wijn vaak proeft als een droog, stroef gevoel. Dat zorgt voor een zachtere, lichtere wijn die fris en fruitig is.
Daarnaast is witte wijn er in veel stijlen: van strak en fris tot romig en vol, en van droog tot lichtzoet. Veel meer varianten dan bij rode wijn. Hierdoor past witte wijn bij heel veel verschillende momenten en gerechten.
Het smaakprofiel van witte wijn
Witte wijn smaakt vaak fris en fruitig. Je proeft bijvoorbeeld appel, peer, citroen of perzik. Soms ruik je bloemige geuren of een vleugje honing. Bij houtgerijpte witte wijnen, zoals sommige Chardonnays, komen ook smaken van vanille, boter of noten naar voren.
De frisse zuurgraad zorgt ervoor dat witte wijn lekker knisperend is en goed dorst lest. Daardoor voelt hij lichter aan dan rode wijn, maar kan hij toch verrassend vol en complex zijn.
Hoe serveer je witte wijn?
Witte wijn drink je het liefst koel, meestal tussen de 8 en 12 graden. Lichte, frisse wijnen zoals Sauvignon Blanc mag je iets kouder serveren (rond 8 graden), vollere, houtgerijpte wijnen iets warmer (tot 12 graden).
Witte wijn hoeft meestal niet te ‘ademen’ zoals rode wijn, maar bij vollere witte wijnen kan het helpen om ze een kwartiertje te laten ademen. Zo openen de aroma’s zich beter en wordt de smaak zachter.

Rosé
Rosé is voor velen dé perfecte wijn voor warme dagen. Licht van kleur, fris van smaak en vaak heerlijk fruitig, past rosé bij ontspannen momenten in de zon, gezellige borrels en lichte maaltijden. Het is de wijn die de sfeer van zomer en zon direct in je glas brengt.
Hoe krijgt rosé zijn kleur?
Rosé wordt gemaakt van blauwe druiven, net als rode wijn. Het verschil? Bij rosé blijft de schil maar kort in contact met het sap, meestal slechts een paar uur. Daardoor krijgt de wijn die mooie, zachte roze kleur in plaats van diep rood. Daarna wordt het sap geperst en apart vergist, wat zorgt voor een frisse en lichte wijn.
Het smaakprofiel van rosé
Rosé is vaak fris en fruitig, met smaken van aardbei, framboos, kers en soms een lichte citrus. De stijl kan variëren van droog en strak tot iets zoeter en romiger, afhankelijk van het wijnhuis en de regio. Door het korte schilcontact heeft rosé minder tannines dan rode wijn, waardoor hij soepel en makkelijk drinkbaar is.
Hoe serveer je rosé?
Rosé smaakt het lekkerst als hij koel wordt geserveerd, meestal tussen de 8 en 12 graden. Dat maakt hem heerlijk verfrissend, vooral op warme dagen. Rosé hoef je niet te laten ademen, gewoon inschenken en genieten!

Mousserende wijn
Mousserende wijn is hét symbool van feest. Champagne, prosecco, cava… ze hebben allemaal die vrolijke bubbels die meteen voor een feestelijke sfeer zorgen. De bubbels ontstaan meestal door een tweede gisting, waarbij het koolzuur in de fles blijft. Het resultaat? Een sprankelend glas vol frisse, levendige smaken. We gaan hier iets korter op in omdat op wijnplaneet vooral de rode, witte en rosé wijn centraal staan.
Smaakprofiel
Afhankelijk van de druif en regio kan mousserende wijn strak en droog zijn, of juist wat ronder en fruitiger. Denk aan frisse tonen van appel, citrus en peer, of zachte smaken van perzik en brioche bij complexere soorten.
Hoe serveer je het?
Mousserende wijn drink je goed gekoeld, rond de 6–8 °C. Perfect als aperitief, bij lichte hapjes, of gewoon om iets bijzonders te vieren.

Versterkte wijn
Versterkte wijn is wijn waaraan tijdens of na de gisting extra alcohol wordt toegevoegd. Dat stopt de gisting eerder of verandert de smaak, waardoor je wijnen krijgt met een hoger alcoholpercentage en vaak een rijker, zoeter karakter. Bekende voorbeelden zijn port, sherry en madeira. We gaan hier iets korter op in omdat op wijnplaneet vooral de rode, witte en rosé wijn centraal staan.
Smaakprofiel
Port is vaak vol en zoet met smaken van rijp rood fruit, karamel en noten. Sherry kan variëren van kurkdroog en ziltig tot stroperig zoet, en madeira heeft vaak een warme, nootachtige complexiteit.
Hoe serveer je het?
Serveer versterkte wijn meestal iets koeler dan kamertemperatuur: rond 12–14 °C voor zoete varianten en 8–10 °C voor droge stijlen. Ze zijn ideaal als dessertwijn, bij kaasplankjes, of gewoon als ‘slow sipper’ om rustig van te genieten.